Burgemeester van Mechelen, Vlaams volksvertegenwoordiger en Fractieleider Vlaams Parlement

Vlaamse jongeren in de Syrische hel

Dat jonge mensen soms radicale ideeën omarmen, is van alle tijden. Maar hoe voorkomen we dat sommigen van hen zich laten verleiden om voor geweld te kiezen? Een opiniebijdrage van Bart Somers in De Morgen.

 

Donderdag 26 augustus 1943 was een koude, regenachtige zomerdag. Die dag meldt de net 19-jarige Karel zich aan als vrijwilliger voor het Oostfront. Hij was een van de ongeveer tienduizend Vlamingen die vrijwillig gingen vechten in Rusland. Karel (°10 april 1924) groeide op in een Vlaams-nationaal gezin. Zijn vader was VNV-gewestleider in Vilvoorde. De discriminatie van de Vlamingen aan het IJzerfront, de achteruitstelling van het Nederlands: het gevoel tweederangsburger te zijn in eigen land was Karel met de paplepel meegegeven.

 

Het Oostfront was voor die jonge Karel de ultieme strijd tussen goed en kwaad. Een christelijke kruistocht tegen het goddeloze communisme. Een gevecht ook voor een nieuwe, betere wereld. Zuiverder, daadkrachtiger. Waar Vlaanderen, verlost van het Belgische juk, zijn eigen plek zou krijgen in een nieuw Europa. Twee jaar eerder – net 17 – had hij zich al gemeld voor de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen, daarna voor de Fabriekswacht. De wereld stond in brand en hij wou niet alleen toekijken.

 

Wat bracht hem zover ? De dadendrang van een jonge man, idealisme, overmoed, de wil om een groot gebaar te stellen, iets nuttigs te doen met zijn leven. Niet eindeloos palaveren zoals een politicus, maar handelen. Vlaanderen bevrijden van dat gehate België. Maar ook het avontuur, niet willen onderdoen voor zijn vrienden, de magie die uitgaat van een uniform, de indruk die je ermee maakt op meisjes.

 

Was hij in de ban van het verknipte, simplistische wereldbeeld van de nieuwe orde? Een wereld van über- en untermenschen, van heldendom en vijanden die tot het uiterste bestreden moeten worden. In zekere zin net zo simpel als de videogames van vandaag, maar dan bloedecht. Had de nazipropaganda, die de “vijand” voorstelde als Slavisch-Aziatische horden die de westerse beschaving bedreigden, hem in zijn greep?

 

Misbruikt idealisme

 

Wanneer Karel die avond zijn ouders op de hoogte brengt, zijn ze verbijsterd en in paniek. De 19-jarige Karel had die beslissing immers volledig op eigen houtje genomen, zonder ruggespraak met zijn ouders. En eens getekend voor het front was er geen weg terug. Vader Lodewijk zat dan wel in de collaboratie, maar wou zijn zoon absoluut niet naar het Oostfront zien vertrekken. Er waren medio ’43 al zoveel gesneuvelden. En na Stalingrad zag het er allemaal al veel somberder uit. Bovendien groeide de twijfel of Vlaamse jongeren wel meer waren dan kanonnenvlees voor de Duitse oorlogsmachine. Karel wist dat zijn vader hem geen toestemming zou geven. Dus handelde hij op eigen houtje.

 

Karel vecht in misschien wel de wreedste oorlog ooit. Elke paragraaf uit het oorlogsrecht werd oneindig verkracht. Menselijkheid bestond gewoon niet meer. Hij raakt gedesillusioneerd, ervaart dat zijn idealisme misbruikt werd. De oorlog had niets romantisch, maar was een eindeloze reeks gruwelen. De op het einde van de oorlog 21-jarige Karel overleeft bij toeval, en wordt na de bevrijding eerst bij verstek ter dood veroordeeld, krijgt dan levenslang, wat omgezet wordt in 20 jaar hechtenis. Hij komt vervroegd vrij uit de gevangenis op kerstdag 1949. Van zijn 19 tot zijn 25 jaar heeft Karel niets dan wreedheid, extreem geweld, ellende, vernedering en gevangenissen gekend. Hij vertrok als idealist, kwam terug als een gebroken,

verbitterde en gedesillusioneerde man.

 

Die Karel Somers is mijn oom. Hij is ondertussen al vele jaren overleden. Zijn fatale beslissing van 26 augustus 1943 heeft zijn hele leven getekend. Mijn oom is er nooit van hersteld. Hij sprak nooit over zijn oorlogservaringen, alleen als hij een keer te veel gedronken had. Dan kwamen er flarden getuigenis opborrelen uit de hel van zijn jeugdjaren, dan zag je iets van de psychologische verminking, zoals je die in films over Vietnamveteranen ziet. Een wrede worsteling met een oorlogsverleden dat je nooit loslaat.

 

Niet alle Oostfronters gingen op dezelfde manier om met hun verleden. Sommigen hadden wroeging. Ze beseften voor welk verwerpelijk regime ze hadden gevochten. Anderen waren net trots op hun inzet voor dat regime en bleven nationaal-socialisten. Weer anderen hielden vast aan een zelfbeeld van eerbaar maar door nazi-Duitsland misbruikt idealisme. De repressie en de verwijten nadien – die ze onrechtvaardig vonden (“wij waren onbaatzuchtige idealisten”) radicaliseerden hen zelfs. Ze vormden de kern van een onverzettelijk, anti-Belgisch naoorlogs Vlaams-nationalisme, dat ze vaak overdroegen op kinderen en kleinkinderen. Anderen waren gebroken, getraumatiseerd, niet in staat tot nog langer normaal functioneren in de samenleving. En er waren er die een totaal nieuw leven begonnen: als emigrant, als ondernemer of gewoon als familieman.

 

De geschiedenis herhaalt zich nooit op dezelfde manier. En elke historische vergelijking loopt mank. Maar als ik hoor dat jongeren naar Syrië vertrekken, denk ik onvermijdelijk aan mijn oom Karel. En ik weet dat mijn verhaal politiek incorrect is. Het zou voor mij comfortabeler zijn indien ik een parallel kon trekken met een oom die in de Spaanse burgeroorlog had gevochten. Tegen Franco evident. Maar zo een oom heb ik niet. En Karel kon zijn leven niet opnieuw leven. Ik moet het dus met hem doen, een oom die ik – zo is dat nu eenmaal – graag heb gezien. Ondanks dat foute verleden. Misschien zelfs juist omwille van dat verleden, de steeds aanwezige kwetsbaarheid, de morele confrontatie die het meebrengt.

 

Militairen, niet vrijwilligers

 

Vandaag zijn er opnieuw jonge mensen die voor een zaak wapens willen opnemen. Ik weet het: je kan het heden niet vergelijken met toen. Er woedt hier geen oorlog, we leven in een andere tijd en context. Maar toch spelen bij jongeren die in Syrië willen vechten opvallend gelijklopende motieven: idealisme en avontuur, rechtvaardigheidsgevoel en de drang een groot gebaar te stellen, stoerdoenerij en morele verontwaardiging.

 

Elke generatie heeft zijn “rechtvaardige oorlog”. Toen ik 18 was, liepen we met badges rond van IRA-hongerstaker Bobby Sands. We waren verontwaardigd over het harde optreden van de Britsepremier Margaret Thatcher die deze “Ierse vrijheidsstrijders” liet doodhongeren. Wat kunnen we doen, was ook toen een indringende vraag. Of we betoogden begin jaren tachtig met het Midden-Amerikacomité. We kregen er de AMADA-iconen die ginder meevochten als verleidelijke rolmodellen gepresenteerd.

 

Laat er geen misverstand over bestaan. We kunnen steeds moeilijker wegkijken bij conflicten in het buitenland. Hoe kleiner de globaliserende wereld wordt, des te groter wordt onze verantwoordelijkheid. Die waanzinnige burgeroorlog in Syrië moet stoppen. Ons land moet zich daarom actief en met alle mogelijke diplomatieke middelen inzetten om een einde te maken aan het moorddadige Assad-regime dat haar legitimiteit met het vreselijke bloedvergieten totaal heeft kwijtgespeeld. Ze moet de democratische oppositie ondersteunen met alle mogelijke middelen. Maar dat moeten we als staat doen, met diplomaten, desnoods met deelname aan internationale militaire VN- of NAVO-acties. Maar dan met daartoe opgeleide en omkaderde militairen, niet met individuele vrijwilligers.

 

We moeten toejuichen dat jongeren geëngageerd zijn, dat ze kwaad en opstandig worden bij het zien van onrecht. We mogen ons gelukkig prijzen dat nieuwe generaties zich willen inzetten voor een betere wereld. Dat jonge mensen daarbij soms radicale ideeën omarmen, de dingen fundamenteel anders willen, is van alle tijden. Maar hoe voorkomen we dat sommigen van hen een stap te ver zetten, zich laten verleiden om voor geweld te kiezen, om wapens op te nemen? Er bestaat geen sluitend antwoord. Maar we kennen wel stukken van de puzzel waarmee we het gevaar kunnen indammen, de risico’s op een keuze voor geweld kunnen verminderen.

 

Expertise delen

 

Het antwoord begint alleszins met efficiënte inlichtingendiensten en een justitieapparaat dat consequent mensen vervolgt die oproepen tot geweld, die anderen ronselen voor een gewapende strijd. Maar een repressieve aanpak alleen zal niet volstaan. Er is vooral nood aan een inclusieve samenleving, waar iedereen zich opgenomen weet. Een overheid die niet alleen met woorden, maar ook met daden rechtvaardigheid nastreeft. De kans op radicalisering is kleiner in een klimaat dat diversiteit omarmt, dat een positieve grondhouding uitdraagt ten aanzien van wie anders is: een andere mening, religie, politieke overtuiging heeft. Een maatschappij met andere woorden die stoelt op wederzijds respect. Die jongeren zinvolle, vreedzame wegen aanreikt voor maatschappelijke engagement. Die hen de waarden bijbrengt van overleg, compromis, luisterbereidheid, dialoog. En die ouders, scholen, vrienden mobiliseert als het met een jongere dreigt fout te lopen.

 

Ik wil geen jongeren naar Syrië zien vertrekken, die ouders en familie radeloos achterlaten. We mogen geen jonge Vlamingen laten sterven als kanonnenvlees in een verschrikkelijke burgeroorlog hier ver vandaan. Of gebroken, voor het leven getekende en getraumatiseerde mensen zien terugkeren. Laat staan als geradicaliseerde en tot terroristen opgeleide fanatici.

 

Om dat te voorkomen heb ik geen wonderoplossing. Ik pretendeer dat ook niet. Maar als de federale en Vlaamse overheid mij als burgemeester de juiste info geven, hun expertise met mij delen – de best practises, de geslaagde initiatieven, de gelukte voorbeelden van elders – dan wil ik mij daar als burgemeester keihard voor inzetten. Samen met vele anderen, daarvan ben ik overtuigd. Mensen die even bezorgd zijn: ouders, verantwoordelijken in onze Mechelse moskeeën, op onze scholen, in onze verenigingen. Het lokale niveau is daartoe het best geplaatst, heeft het sterkste netwerk. Op voorwaarde dat we degelijk geïnformeerd en ondersteund worden. Zodat we zo veel mogelijk vermijden dat 70 jaar na Karel in ons land opnieuw jongeren hun leven vergooien.

 

Gepubliceerd in De Morgen op 9 april 2013